Waarom je jezelf niet met anderen moet vergelijken.

27 mrt 2018

Je hebt zeker enorm de P in, hè?’

Een vage kennis kijkt me iets te gretig aan boven haar brillenglazen. Ik zou niet weten waar ze op doelt, behalve dan het feit dat ze die gruwelijke uitdrukking gebruikt. Noem de dingen in hemelsnaam bij hun naam en niet laffig bij hun voorletter. Als je pest, pokken of desnoods paardenlullenziekte bedoelt, zeg dan pest, pokken of paardenlullenziekte. Ik wil het allemaal roepen, maar ze gaat al verder. ‘Van dat boek van Gordon?’

Waarom zou ik de pest, pokken of paardenlullenziekte in hebben vanwege Gordon? ‘Veer-tig-duizend ex-em-plaren! Op één dag! Daar kunnen gewone schrijvers toch nooit aan tippen?’ Ik heb ook een grafhekel aan men-sen die in me-de-klin-kers pra-ten, maar dit terzijde. Ze heeft natuurlijk gelijk. De kans dat ik op één dag veertigduizend exemplaren wegzet van wat voor boek dan ook is net zo klein als dat het weer goed komt tussen Goor en Geer, Goor en John Ewbank en Goor en de hele familie Heuckeroth.

Dat is prima wat mij betreft. Heus, ik word graag veel gelezen, maar als ik iets heb geleerd in de twintig jaar dat ik nu tik, is het dit: meet je niet aan anderen. Er is namelijk altijd iemand groter, slimmer, commerciëler, lekkerder en beter verkopend dan jij.

Ik werd daar al vroeg in mijn loopbaan op gewezen. Ooit werkte ik namelijk bij een geheim tijdschrift. De ambities voor het blad waren torenhoog. Het moest het eerste wekelijkse boekie over economie zijn, een soort laaglandse Businessweek. Iedereen zou er weet van hebben als wij onderste stenen bij banken naar boven trokken, lijken uit bedrijfskasten sleurden en de minister van Financiën snedig allerlei ingewikkelde vraagstukken zouden voorleggen.

Het is allemaal gebeurd, maar niemand heeft ervan geweten. We schreven ons een rotje destijds bij FEM/De week, maar menigeen heeft jarenlang gedacht dat het hier een magazine voor de vrouwenzaak betrof in plaats van een Financieel Economisch Magazine. Zo nu en dan kwam er een brief binnen van een lezer, maar zelfs die scribenten wisten amper naar wie ze schreven. Ontving ik weer enveloppe met als adressering: ‘Aan mevrouw Roos Schukker van Tem de Wuls.’

Uiteraard kregen onze ego’s daar kleine butsjes van. Toch kijk ik met veel genoegen terug op die jaren. Want we maakten best iets bijzonders, hadden een ongelooflijk goede band met elkaar (losers verenigt u), hebben veel gezopen en nog meer gelachen. Ik had me geen betere journalistieke basis kunnen wensen.

Natuurlijk was het fantastisch dat ik in de jaren daarna voor veel grotere titels mocht schrijven. Dat er eigen columns kwamen. Boeken zelfs. In mijn begintijd keek ik daarbij steeds naar anderen. Was ik net zo succesvol als zij? Was ik bekend genoeg? Werd ik evenveel gewaardeerd? Maar ik ben ermee opgehouden. Het gaat in je werk om wat je maakt, alle verkoopcijfers en veren in je reet zijn aardige bijkomstigheden maar moeten niet de hoofdmoot zijn. Voortdurend vergelijken is een typisch gevalletje van schaarstedenken en kleinduimpjeredeneren.

Wie denkt dat er slechts één taartje vol succes te verdelen valt en deze op is als een zanger een ongelofelijke biografiehit schrijft, heeft het mis. Er is genoeg voor iedereen. En een kleiner stukje is ook prima. Roos Schukker van Tem de Wuls gunt eenieder het allerbeste. Pruilen om het succes van een ander, maakt jezelf voor eeuwig klein. En een klein beetje een P-lul met een min-der-waar-dig-heids-com-plex.

Geschreven door:

Roos Schlikker (A’dam, 1975) belandde na haar studie Nederlands in de financiële journalistiek. Wegens ernstige stropdasallergie nam ze ontslag en ging freelancen. Nu schrijft ze columns in Het Parool, TPO Magazine en Intermediair.

Bron: Intermediair.nl

 

    Delen op Social Media

    terug naar overzicht

    INITIATIEFNEMERS EN PARTNERS

    Realisatie: 7U Digital Originals